Welkom in Oud Joure

Oud Joure vormt het levendige hart van de Vlecke Joure – een term die aangeeft dat Joure historisch gezien geen dorp, maar een bijzondere nederzetting is, groter dan een dorp en kleiner dan een stad. Een plek doordrenkt van historie, herinneringen en het karakter van vroeger... {Lees meer over Oud Joure}.

Via deze website ontdekt u alles over Oud Joure. Hoe zag de Vlecke er vroeger uit? Waar lagen de steegjes en opvaarten? Waar stonden de fabrieken en boerderijen? Wie waren de markante bewoners en wat maakte hen bijzonder? Welke onvergetelijke gebeurtenissen vonden hier plaats? U vindt het binnenkort allemaal op deze website.

Binnenpaden en Buitenbeentjes

Soms moeten we dankbaar zijn voor de mensen die in het verleden de tegenwoordigheid van geest hadden om het belang van geschiedenis vast te leggen. Mensen die inzagen dat verhalen, herinneringen en kleine details anders misschien voor altijd verloren zouden gaan. Dankzij hun inzet kunnen wij vandaag de dag nog steeds terugkijken, begrijpen en waarderen waar we vandaan komen en waar we ons bevinden.

Een van die mensen was Marten Buis. In 1991 schreef hij het boek Binnenpaden en Buitenbeentjes, waarin hij met zorg en toewijding verhalen verzamelde over Oud Joure. Zijn werk is meer dan een opsomming van feiten; het is een levendige weerspiegeling van een gemeenschap, van mensenlevens en van het karakter van een bijzondere plek. Dankzij zijn inzet is er een waardevolle schat aan herinneringen en illustraties bewaard gebleven, die ons verbinden met het verleden en het verhaal van Joure levend houdt voor de generaties na ons. Het werk van Marten Buis vormt de basis voor deze website.

Een Jouster feuilleton

De beheerders van deze website willen iedere werkdag minimaal één nieuw verhaal publiceren (op deze website heet dit een 'venster'). De aftrap is voor het venster van Westermeer. Nieuwe verhalen worden telkens als uitgelicht verhaal op de homepage gepubliceerd. Er liggen honderden verhalen te wachten. Kortom, het loont de moeite om morgen gewoon weer een kijkje te nemen op deze website.

Oproep

Deze website wordt volledig gebouwd en beheerd door vrijwilligers. Jouster bedrijf DeeEnAa, Online City- en Regiomarketing in de Boterstraat sponsort de website. De site is gebouwd met ErfgoedCMS, een 'content management systeem' speciaal voor erfgoedcollecties zoals stads- en dorpsarchieven en collecties van oudheidkamers en streekmusea. Wil je als vrijwilliger meewerken aan deze website of heb je materiaal dat er niet op mag ontbreken? Neem dan contact op via het contactformulier of direct met Max Buis (Boterstraat 30, 06-20187087) of Bauke Folkertsma van DeeEnAa (Boterstraat 9, bauke@deeenaa.nl).




Uitgelichte vensters:

Zondag 7oktober 2001 werd een leegstaand pand aan de Polderboskdyk  te Joure in de as qelegd  Niet veel later werden de geblakerde muren met de grond gelijk gemaakt. In de krant werd aan die gebeurtenis nauwelijks aandacht besteed. Toch ging voor veel Jousters, vooral ouderen, een herinneringspunt uit lang vervlogen tijden verloren. Daarom toch nog maar een terugblik. Nee, het was geen monumentaal bouwwerk, maar de bestemming sprak veel mensen toch wel aan. Voor de buitenwacht in ieder geval de tijdelijke bestemming van café. De 'gelegenheid' was overigens beter bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje', maar daarover later meer. Het gehele pand, het cafégedeelte met daarnaast een vrij kleine woonruimte en daar weer naast een grotere woning, was oorspronkelijk genummerd Westermeer A 1. Reeds in 1852 komt dat adres in de registers van de voormalige gemeente Haskerland voor. Bewoner was toen Foppe Gerbens Huitema, die in de boeken als boer staat genoteerd. De volgende bewoner was Tijmen Hendriks Loen. In de registers wordt hij soms aannemer genoemd en soms opzichter. Het lijkt aannemelijk dat het cafégedeelte een aanbouw is die op een wat later tijdstip is gerealiseerd. Dat zou dan wel eens het werk kunnen zijn geweest van de zojuist genoemde Tijmen Loen. In een 'register van aangiften ter bekoming van tijdelijke vrijdom en verhoging van grondbelasting' wordt zijn naam in verband gebracht met de stichting van een woning. De gevraagde vrijdom zou acht jaar moeten duren, te beginnen in 1859. Vast staat in ieder geval dat in 1862 zijn adres Westermeer A 1 was. Maar hoe dan ook, hij heeft het daar aan de Sewey met zijn gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen rijk was, bijna veertig jaar volgehouden. Daarna worden nog als bewoners genoemd de weduwe C. Nijdam en de agent J. Krot. Hun verblijf aan de Sewey was van betrekkelijk korte duur. De jaren van  het café De eerste bewoner die met de horeca in verband kan worden gebracht is Albert Alberda, afkomstig uit Haskerdijken. Hij kwam in 1908 naar Joure, woonde op het adres Westermeer A 1 en wordt in de boeken bierhuishouder genoemd. Zïjn kleinzoon en tevens hulp, Hielke Meijer woonde op hetzelfde adres, evenals later zijn knecht Jan Mulder. Albert Alberda begon met het café in de periode dat op Pinkstermaandag nog de Seweyster Merke werd gehouden. Merke was een groot woord voor de paar diskes die dan aan de Sewey stonden. Op dezelfde dag werd in Oudeschoot de jaarlijkse (paarden)markt gehouden, nu nog altijd bekend als Skoattermerk. Het verband tussen de beide markten ligt wel een beetje voor de hand. Na een bezoek aan de markt in Oudeschoot konden de marktgangers uit Joure en de Zuidwesthoek van Friesland op Seweyster Merke hun laatste centjes versnoepen. Of in het café natuurlijk. Misschien is dat voor Albert Alberda wel aanleiding geweest om het daar aan de Sewey maar eens te proberen met een café. Vetpot is het echter waarschijnlijk niet geweest. Om er toch wat van te maken hield hij kostgangers. Ruimte was er genoeg. Eén van die kostgangers was Marten de With, toen nog kopergietersknecht, maar later alom bekend als melktapper en trommelslager bïj de muziekvereniging ’Concordia’. Het was niet voldoende om het hoofd boven water te houden. In mei 1919 keerde de bierhuishouder Joure de rug toe.De namen van de meeste volgende bewoners zijn wel te achterhalen. Het is echter niet altijd duidelijk in welk gedeelte van het pand zij hebben gewoond. In de periode dat Albert Alberda het probeerde met een café, woonde in het pand ook de imker Jan Das met zijn knecht Jurjen van der Honing. Zij vertrokken in oktober 1921 naar een ander stekje in Westermeer. De volgende bewoner was Teije de Wrede. koopman en postbode. Hij ruilde in mei 1929 de Sewey met de Torenstraat, waar hij op 31 maart 1930 overleed. Wellicht kan hij in zijn Seweyster tijd toch ook wel met het café in verband worden gebracht. Hij kreeg daar namelijk hulp van zïjn schoonzuster Margje Bos, weduwe van de schipper Albert Brandsma. Zij werd ingeschreven als verlofhoudster. De weduwe van Teije de Wrede, Elisabeth Brandsma, vertrok in 1937 naar Nijmegen.Met de komst van Tewes Huizinga, afkomstig uit Uithuizen, kwam in april 1929 weer een echte caféhouder aan de Sewey. Lang bleef hij daar niet wonen en werken. Reeds in mei 1931 vertrok hij naar Wyckel . Mooie pleisterplaats De familie Pieter van der Zwaag hield het aan de Sewey wat langer vol, van mei 1931 tot eind november 1937. In die jaren was het café bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje'. Het was een favoriete pleisterplaats voor wandelaars die van een flinke kuiertocht hielden. Een mooie wandeling bijvoorbeeld was 'de Haulstersingel om’, zoals die destijds werd genoemd. Als men, begonnen in Joure, de Scheen achter zich had gelaten, liep men door achtereenvolgens de Haulstersingel, de Breedsingel en de Gravinnesingel. Dan was het nog maar een paar stappen naar ’Heerlijk Zitje'. Daar kon men dan onder het genot van een drankje mooi even de benen strekken.  Een nog wat langere wandeling was 'de Wildehornstersingel om'. Die begon dan op de Vegelinsweg waarna de smalle weg naast 'het kanaal' (nu de Meenscharweg) werd gevolgd tot aan de Wildehornstersingel. Daar kon men rustig wandelen, want de singel was in die tijd nog niet door wegen in mootjes gehakt. Na op de betonbrug over de Overspitting even van het uitzicht te hebben genoten, stond men bij wijze van spreken voor de deur van  'Heerlijk Zitje'. Echte liefhebbers konden links van de zojuist genoemde betonbrug nog even een kijkje nemen in het Polderbos. Na een paar honderd meter al stuitte men op de restanten van een afgebroken molen. Wie lef had en over de bouwval klauterde, kwam terecht in een ongerept stukje natuur. In de nazomer was het Polderbos vooral in trek bij bramenzoekers.Het was best gezellig, die bezoekjes van wandelaars, maar veel meer dan die gezelligheid hield de familie Van der Zwaag er niet aan over. Vandaar dat het café ook beschikbaar was voor het houden van vergaderingen of andere bijeenkomsten van kleine groepjes. Erg veel ruimte was er niet. zodat men al gauw van 'een volle zaal'  kon spreken. Cursus Esperanto In de herfst van 1934 werd in 'Heerlijk Zitje’ een cursus Esperanto gehouden. Cursusleider was Sjoerd de Vrij. Een telg uit een geslacht van meubelfabrikanten, maar wel uit wat ander hout gesneden. Het was de bedoeling dat hij onderwijzer zou worden. Een tijdlang bezocht hij de Hervormde Kweekschool 'Mariënburg' in I.eeuwarden. maar dat werd geen succes. Niet voor de klas dus, maar het bleek geen beletsel voor een mooie carrière elders.In onze jeugdjaren kenden wij elkaar goed. In onze opvattingen over mens en maatschappij scholen wel wat raakvlakken. Bijna vanzelfsprekend volgde ik dan ook de cursus Esperanto. Sjoerd de Vrij zal door het geven van die cursus in financieel opzicht niet rijk zijn geworden. Maar in een van de vrouwelijke cursisten, Titia Lanting, vond hij wel de vrouw met wie hij niet veel later zou trouwen. Eén van de cursisten ventileerde al spoedig zijn kennis van de wereldtaal op een niet alledaagse manier. In de zomer van 1935 was in Joure een wielerclub opgericht op initiatief van drie plaatselijke amateur-wielrenners: Tjitte Kootje, Sippe Halma en Sietse Hoekstra. De nieuwe club kreeg de aan het Esperanto ontleende naam Kurage Antauen (Moedig Voorwaarts). Eén van de drie oprichters: Sippe Halma. had de cursus in 'Heerlijk Zitje' gevolgd. Hij zal de naam dus wel hebben bedacht. Zo zijn we dan langs een omweg weer terecht gekomen bij het voormalige café aan de Sewey. Voormalig, want Pieter van der Zwaag zag tenslotte geen brood meer in het café. In mei 1937 sloot hij de deur achter zich. Het betekende meteen het einde van het café. Niemand durfde een nieuwe poging te wagen.Wat bleef was de woongelegenheid. Nogal wat gezinnen hebben gedurende kortere of langere tijd op het mooie hoekje aan de Sewey gewoond. Van 1937 tot 1951 woonde de familie Hotze de Kroon in de wat grotere woning rechts. Links daarvan woonde aanvankelijk A. Gietema. Latere bewoners waren Johannes Hanje (tot 1938) en Hielke Meïjer (tot 1941). In mei 1950 ruilde Jan Post zijn boerderij in Rohel voor het vroegere café en de woning daarnaast. In 1950 verhuisde de familie Post naar Joure. Tijdelijke bewoner was ook nog Jacob ten Hage. Het woonhuis rechts was van 1955 tot 1972 het domein van de familie Oostebring.Na hun vertrek hadden Jouke Woudstra en Huitje Sap, die in september 1959 al de woning naast het vroegere café hadden betrokken, het rijk alleen. Gewone Jousters, maar wel met een bijzonder levensverhaal Over deze beide mensen hopen we later wat meer te kunnen vertellen.     

De ijskelder in Park Heremastate in Joure is een bijzonder historisch overblijfsel dat laat zien hoe men vroeger op ingenieuze wijze omging met het bewaren van voedsel en drank, lang voordat elektrische koelkasten bestonden. Het park, dat onderdeel was van de buitenplaats van de familie Van Herema, bevat een kunstmatig aangelegde heuvel die in de volksmond bekendstaat als “de berg”. In deze heuvel bevond zich de ijskelder. In de winter werd ijs uit de parkvijver gezaagd en naar de kelder gebracht. Dit ijs werd in lagen opgeslagen, vaak gescheiden door stro of zaagsel, zodat het zo lang mogelijk bewaard bleef. Door de dikke aarden wanden en de ligging onder de grond bleef de temperatuur in de ijskelder het hele jaar door laag. Hierdoor kon men ook in de zomer beschikken over ijs. Dat was niet alleen een luxe voor het koelen van drank, maar vooral belangrijk voor het bewaren van bederfelijke levensmiddelen zoals vlees, vis en zuivel. De ijskelder was meestal te bereiken via een kleine ingang aan de voet van de heuvel. Binnen was het donker, vochtig en koel, precies de omstandigheden die nodig waren om het ijs langzaam te laten smelten. Dergelijke ijskelders kwamen vooral voor bij buitenplaatsen en statige huizen, waar men de middelen had om deze constructies aan te leggen en te onderhouden. Park Heremastate zelf kent een lange geschiedenis en werd in de loop van de eeuwen meerdere malen aangepast. De aanwezigheid van de ijskelder en de bijbehorende heuvel vormt een tastbare herinnering aan het dagelijks leven van de vroegere bewoners en hun personeel. Hoewel de ijskelder tegenwoordig niet meer in gebruik is en meestal niet toegankelijk voor het publiek, blijft de “berg” een herkenbaar element in het parklandschap. Wie vandaag door Park Heremastate wandelt, ziet misschien slechts een groene heuvel, maar onder die heuvel schuilt een verhaal over vindingrijkheid, comfort en de manier waarop men vroeger de seizoenen en de natuur gebruikte om het leven aangenamer te maken.

In 1971 werd de voormalige boerderij van de familie Bergsma, ten noordoosten van de E.A. Borgerstraat, door de dienst Gemeentewerken in brand gestoken om zo snel en grondig mogelijk ruimte vrij te maken voor de uitvoering van het zoveelste uitbreidingsplan. Daarmee gingen de laatste restanten van de ongeveer duizend jaar eerder gestichte en in grote lijnen ongewijzigde dorpsindeling van Westermeer in vlammen op. Het leek daarom zinvol om iets te bewaren over het ontstaan van het oude moederdorp, dat in 1954 één werd met Joure. Mensen uit de steentijd moeten bijna altijd het Jouster gebied zijn voorbijgelopen om zich in Gaasterland te vestigen. Een enkeling moet bij de Rozebos niet linksaf zijn gegaan, maar rechtdoor zijn gelopen, de Jouster zandkop overgestoken en in de buurt van Snikzwaag en Goingarijp terecht zijn gekomen. Er was dus al vroeg een spoor die kant op, en dat zal later, toen ongeveer 300 jaar vóór Christus de klei bewoonbaar werd, een wat drukkere route zijn geworden, waarlangs men het vlugst naar het zich ontwikkelende Westergo kon komen. Zo kreeg de Grote Friese Weg van Coevorden naar Stavoren een aftakking bij de Rozebos. Via de Hoge Zomerdijk en de "hiuwera" (voorloper van de Tolhuisbrug) had men zo een snelle verbinding tussen Overijssel, Drenthe en oostelijk Friesland naar de westelijke Friese gebieden. Zo ongeveer staat het beschreven in het Aardrijkskundig Woordenboek van A.J. van der Aa (1839). Heel lang was er dus geen vaste bewoning. Dat veranderde pas in de Karolingische tijd. Vanuit De Deelen kwam wat bewoning op gang, iets ten noorden van de later aangelegde Haskerveldweg, en deze bewoning moet daar enkele eeuwen zijn gebleven. Er werden huizen gebouwd en er moet zelfs een kerkhof zijn aangelegd. Op oude kaarten staat althans vaak vermeld: "oud, vervallen kerkhof van Westermeer." De straatnaam Pealskar herinnert nog altijd aan dat kerkhof. In zijn boek Fan lytse hazze ta greate Jouwer (1966) vraagt T. Bijlsma zich af of daar mogelijk zelfs een kapel kan hebben gestaan. Ter plaatse zou namelijk veel steen in de grond zijn aangetroffen. Folkert Wiersma, die het betreffende stuk land in de periode 1940-1945 op last van de bezetters moest ploegen, heeft echter altijd verzekerd dat er bij die gelegenheid “gjin stjintsje of bonkje” is gevonden. Wel groeide de oorlogsrogge er prima! In 1987 is, vóór de aanleg van onder meer de nieuwe straat Stjoerboard, onderzoek verricht naar de plaats van het "oud, vervallen kerkhof van Westermeer.” De grond werd drie keer geschaafd, waarna een duidelijk, donker patroon in de witte zandvlakte zichtbaar werd: de indrukken van een aantal vierkante palen, die de omtrek aangaven van een waarschijnlijk houten gebouw (kerkje), dat ongeveer 9 meter breed en 16 meter lang moet zijn geweest, met aan één van de zijkanten twee palen iets naar buiten. Dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een soort portaal. Ook werden de grondpatronen van ongeveer vijftien graven aangetroffen. Sporen van beenderen werden echter niet gevonden. Bij de Oudheidkundige Dienst in Groningen stond men kritisch tegenover deze lezing; men dacht daar aan een plaats iets meer noordoostelijk, bij de Koarte Ekers. In augustus 1991 is ook daar onderzoek verricht. Dat leverde echter niets op, zodat mag worden aangenomen dat het vroegere kerkhof van Westermeer zich bevond in de buurt van het bruggetje aan de Stjoerboard. De bejaardenwoningen 60 tot en met 66 zijn dan gebouwd op de plaats waar eeuwen geleden een houten kerkje moet hebben gestaan. Op het aangrenzende terrein hebben, eveneens in augustus 1991, twee amateur-archeologen nog 24 graven en restanten van een waterput gevonden. Volgens hen gaat het om zogenaamde "crematiegraven" van ongeveer 50 cm diepte. In de grond bij boerderij Keimpema zijn bovendien enkele prehistorische krabbers gevonden. Maar dat terzijde. Tenslotte verlieten de bewoners het gebied ten noordoosten van de Haskerveldweg. Waar zij zich daarna hebben gevestigd, is niet duidelijk. Gemakkelijk zullen zij het niet hebben gehad, omdat vrije vestiging door de toenemende invloed en macht van de adel steeds moeilijker werd. Hoe het ook zij, in Oudehaske moet de vaste bewoning van deze streken zijn begonnen. Na Oudehaske kwam Haskerhorne – (uit)hoek van de Haske – aan de beurt. In het gebied van de "Horne" kwam veel (wilde) bebossing voor; dat verklaart dan ook de namen Wildehorne en Wildehornstersingel. Voorts waren in dat gebied twee meertjes te vinden. Het grootste werd het Hornstermeer genoemd, het kleinste droeg oorspronkelijk de naam Westermeer. Later werd steevast gesproken over de “grutte en de lytse Hoarnster mar.” Veel oudere Jousters bewaren dierbare herinneringen aan de beide meertjes, die in 1925 werden drooggelegd. Maar dat is een verhaal apart!

Marten Buis werd in 1914 geboren in Borbeck, vlakbij Oberhausen in Duitsland, als kind van Friese ouders. Zijn ouders waren rond 1913 naar het Ruhrgebied vertrokken als gastarbeiders, op zoek naar werk en een beter bestaan. De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten, waardoor het gezin rond 1918 terugkeerde naar Friesland en zich vestigde in Joure, eerst in de Kaekelsteeg en later op het Patrimonium. Hoewel hij in Duitsland werd geboren, had Marten de Nederlandse nationaliteit en hoefde hij daardoor tijdens de Tweede Wereldoorlog niet op te komen voor Hitler-Duitsland. Marten Buis begon zijn loopbaan als stoffeerder bij de Jouster firma Van Achteren, gevestigd aan de Midstraat, in het pand waar tegenwoordig Van der Wiel accountants is gevestigd. Tijdens zijn werk volgde hij een opleiding etaleren in Amsterdam, waarmee hij zijn creatieve vaardigheden verder ontwikkelde. Later opende hij een antiekwinkel aan de Midstraat 32 in Joure. Een hardnekkige rugkwaal maakte dat hij zijn werk als stoffeerder en winkelier moest opgeven. Hij vond echter een nieuwe uitlaatklep in tekenen en schrijven. Buis trok door het dorp, legde het dagelijks leven vast in tekeningen en documenteerde zijn observaties in verhalen. Zijn liefde voor Joure en zijn oog voor detail leverden hem lokale bekendheid op, mede dankzij zijn maandelijkse bijdrage aan het MOB-krantje (Midstraat Op z’n Breedst), in samenwerking met Sjouke Kuindersma. Tot op hoge leeftijd bleef Marten Buis tekenen en schrijven. In 1991 bracht hij zijn verzamelde verhalen uit in het boek Binnenpaden en Buitenbeentjes, een ode aan het oude Joure. Hij overleed in 1994, maar zijn werk blijft een waardevolle bron voor de geschiedenis en het karakter van de Vlecke Joure.

Oud Joure vormt het levendige hart van de Vlecke Joure – een term die aangeeft dat Joure historisch gezien geen dorp, maar een bijzondere nederzetting is, groter dan een dorp en kleiner dan een stad. Een plek doordrenkt van historie, herinneringen en het karakter van vroeger. De Midstraat, al eeuwenlang de centrale levensader, verbindt de oorspronkelijke kernen Westermeer en Joure met elkaar. Vandaag de dag herinneren de scheve toren van Westermeer en de trotse Jouster Toer nog steeds aan deze oude tweedeling. Aan de zijde van de Jouster Toer ligt de Kolk, ooit een bruisend middelpunt van handel en bedrijvigheid. Schepen meerden hier aan, goederen werden verhandeld, en het water was de levensader die Joure liet bloeien. Rondom deze Kolk ontstonden straten als de Midstraat, Geelgietersstraat, Slachtedijk en E.A. Borgerstraat – elk met hun eigen verhalen, bewoners en tradities. Wie door Oud Joure wandelt, voelt de geschiedenis onder zijn voeten en ziet die weerspiegeld in de oude gevels, die nog steeds hun authentieke charme uitstralen. Veel panden zijn meer dan honderd jaar oud en dragen de sporen van generaties die er woonden, werkten en leefden. De geur van versgebakken brood, het gelach van spelende kinderen en buren die over de heg een praatje maken – in Oud Joure lijkt de tijd soms even stil te staan. Juist die tijdloosheid geeft het zijn bijzondere waarde. Oud Joure ademt ambacht en nijverheid. Vroeger werkten hier kopergieters, klokkenmakers en koffiebranders; hun vakmanschap leeft voort, onder andere in het nabijgelegen Museum Joure, vlak bij de Kolk. Maar Oud Joure is meer dan een herinnering aan vroeger. Het leeft en bruist. Bewoners koesteren hun buurt en dragen het verleden met trots, terwijl bezoekers zich laten betoveren door de unieke sfeer. Via deze website ontdekt u alles over Oud Joure. Hoe zag de Vlecke er vroeger uit? Waar lagen de steegjes en opvaarten? Waar stonden de fabrieken en boerderijen? Wie waren de markante bewoners en wat maakte hen bijzonder? Welke onvergetelijke gebeurtenissen vonden hier plaats? U vindt het binnenkort allemaal hier.