Welkom in Oud Joure

Vanaf 2026 heeft de Stichting ‘Ut Eigen Gea’ de website www.oudjoure.nl officieel onder haar hoede genomen. Met deze stap krijgt het rijke historische erfgoed van Joure en de omringende dorpen een nieuw innovatief en digitaal thuis. De website was eerder opgezet door Max Buis met als basis de online publicatie van het boek van zijn vader over Oud-Joure met de titel Binnenpaden en Buitenbeentjes

Stichting Ut Eigen Gea is van plan de komende jaren vele tientallen lokale, historische verhalen op de website te publiceren. Het gaat om vertellingen over het dagelijks leven, bijzondere gebeurtenissen, en markante personen uit Joure en dorpen uit de voormalige gemeente Skarsterlân. Daarmee willen we de geschiedenis van de regio toegankelijk maken voor een breed publiek, van inwoners tot onderzoekers en belangstellenden van buitenaf.
 Bij het samenstellen van de content zullen we niet alleen nieuw materiaal verzamelen, maar vooral ook putten uit de ware schatkamer aan eerder gepubliceerde verhalen. Deze zijn afkomstig uit het driemaal per jaar uitgegeven periodiek Ut eigen Gea, in de regio beter bekend als ‘het rode boekje’ dat al zo’n twintig jaar een vaste waarde is voor donateurs en liefhebbers van lokale geschiedenis.


Oud Joure vormt het levendige hart van de Vlecke Joure en omliggende dorpen. De term ‘Vlecke’ geeft aan dat Joure historisch gezien geen dorp, maar een bijzondere nederzetting is, groter dan een dorp en kleiner dan een stad. Een plek doordrenkt van historie, herinneringen en het karakter van vroeger…. (Lees meer over Oud Joure).

Binnenpaden en Buitenbeentjes

Marten Buis schreef in 1991 het boek Binnenpaden en Buitenbeentjes, waarin hij met zorg en toewijding verhalen verzamelde over Oud Joure. Zijn werk is een opsomming van feiten en een levendige afspiegeling van de gemeenschap, van mensenlevens en van het karakter van bijzondere plekken. Dankzij zijn inzet is er een waardevolle schat aan herinneringen en illustraties bewaard gebleven, die ons verbinden met het verleden en het verhaal van Joure levend houdt voor de generaties na ons en in dat opzicht hetzelfde voor ogen had als de Stichting ‘Ut Eigen Gea’.

Ut eigen Gea

De naam van de Stichting ‘Ut eigen Gea’ en het gelijknamige tijdschrift zijn ontleend aan een historisch blad met dezelfde naam dat in 1953 het licht zag. Wij vonden deze naam passend en 'historisch' voor onze stichting. Ut eigen Gea is statutair onderdeel is van de Werkgroep Historie Joure verbonden aan het Museum Joure.

Deze website wordt volledig gebouwd en beheerd door vrijwilligers van de Stichting ‘Ut eigen Gea’, en heeft geen commercieel winstoogmerk. Wij hebben ons best gedaan om alle rechthebbenden van foto's op deze site te achterhalen, mocht u desondanks rechthebbende zijn en niet zijn vermeld, neem dan contact met ons op gwsjoure@hetnet.nl.    De site is gebouwd met ErfgoedCMS, een ‘content managementsysteem’ speciaal voor erfgoedcollecties zoals stads- en dorpsarchieven en collecties van oudheidkamers en streekmusea.



Uitgelichte vensters:

Op 28 april 1778 vond bij de Haskerbrug in Oudehaske een opmerkelijke en chaotische gebeurtenis plaats die later bekend werd als de “poepeninvasie”. Al eeuwenlang trokken in het voorjaar honderden Munsterlanders – in Friesland vaak “poepen” genoemd – de grens over om als marskramers (kiepkerels) of hannekemaaiers hun brood te verdienen. Meestal waren deze seizoensarbeiders welkom, maar sommigen hielden zich bezig met smokkel, vooral van linnen en andere textielwaren. Om ontdekking te voorkomen verzonnen de smokkelaars steeds nieuwe routes. De Munsterlanders vervoerden hun goederen via het Bentheimse naar Overijssel, waar ze in pramen en turfschepen werden geladen. Via de Vecht, Giethoorn, Ossenzijl, de Linde, Kuinre en de Tjonger bereikten ze uiteindelijk Oudehaske, destijds een belangrijk douaneknooppunt met zes commiezen. Op de bewuste avond arriveerden zes turfschepen, opvallend zwaar bemand met 8 à 10 mannen per schip. De douaniers vertrouwden het niet en begonnen de lading te controleren. Onder de turf bleek linnen verborgen. Zes “poepen” die de wacht hielden, gedroegen zich brutaal en gooiden zelfs turf naar de commiezen. Toen een van de douaniers versterking ging halen, doken overal in het dorp Munsterlanders op, sommigen gewapend met hooivorken. Aangemoedigd door veenbaas Theunis Jacobs de With vielen ze de commiezen aan. De douaniers werden zo zwaar mishandeld dat ze moesten vluchten. Die nacht werd veel linnen gelost en weggevoerd, maar de volgende dag wist men toch meerdere daders te arresteren. In sommige schepen werd wel 4000 pond linnen gevonden. Zes mannen werden veroordeeld tot twee jaar verbanning uit Friesland. De With, gezien als aanstichter, werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs en zijn aanzienlijke invloed. Ook andere betrokkenen, zoals Otte Jans en Foppe Pieters, ontliepen vervolging. De gebeurtenis toont hoe levendig – en soms explosief – de grenshandel in de 18e eeuw kon zijn.   Volledige tekst Smokkel in de Haske Poepeninvasie in Haskerland dinsdag 28 april 1778 De invasie werd een strijd en vond plaats op de avond van 28 april 1778 bij de Haskerbrug in het vredige Oudehaske. In deze strijd speelden de turfschepen van de Munsterlanders een grote rol, want ……..de “poepen” kwamen met turfschepen. En als er in Oudehaske niet een aantal wantrouwige “landsbedienden” (douane) was geweest, wellicht hadden de turfschepen ongemerkt hun lading gelost en zou niemand meer weten wat zich op die avond afspeelde bij de Haskerbrug. Dat er in vorige eeuwen honderden Munsterlanders en andere Duitsers als marskramers of ‘lapkepoepen’ in het voorjaar over de grens kwamen om hier hun koopwaar op het platteland te verkopen is bekend. Ook weten we dat er tegelijk veel “hannekemaaiers” langs dezelfde wegen hier kwamen om de boeren te helpen bij het maaien. De eerste groep noemen we ook wel kiepkerels. Bepaalde zaken in Leeuwarden en Sneek hebben weinig Nederlands klinkende namen en meestal danken dergelijke zaken hun bestaan aan een “kiepkerel”, die naar het rijke Friesland kwam om wat te verdienen met zijn handel. Zo stichtte Bernhard Voss in 1797 z’n winkel in Bolsward, in Sneek deed Benedictus Lampe dat in 1834, gevolgd door Clemens en August Brenninkmeijer in 1841 eveneens in Sneek. Anton Dreesman en Willem Vroom openden in 1881 hun zaak in Amsterdam en in 1880 deed Johann Theodoor Peek  (met Cloppenburg) dat in Den Haag. De kiepkerels met hun kiepen (een soort mand voor de koopwaar) of ladenkastjes op de rug verdwenen hierdoor langzamerhand van het platteland.  De activiteiten van zowel de handelende kiepkerels als de maaiende hannekemaaiers die hier te voet kwamen, kwam de boerenbevolking op het platteland goed van pas. De Poepen bij Oudehaske probeerden met illegale middelen rijk te worden.   Hoe kwamen die Poepen hier? Hoe groot elk jaar deze vreedzame “poepen”-invasie was, is moeilijk te achterhalen, maar het zullen er ongetwijfeld vele honderden geweest zijn. Dat daarbij vaak getracht werd goederen, meest textielwaren (linnen,wollen,enz.) over de grens te smokkelen, is ook een feit. We vinden enige malen in de processtukken dat dergelijke lieden werden gegrepen en veroordeeld. Om nu zo weinig mogelijk risico te lopen werd er van alles verzonnen. De Munstersen brachten de goederen naar het “Bentheimse” en daar werd de smokkelwaar in pramen en schepen geladen, die blijkbaar de Vecht konden afzakken. Mogelijk heeft de douane van Overijssel de schepen inderdaad als turfschepen beschouwd. Vanaf de Vecht ging men dan door de Giethoornse wateren en Ossenzijl, over de Linde naar Kuinre en dan via de Tjonger, Vierhuizervaart en Hogedijkstervaart naar Rottum en zo naar Oudehaske. De vaart van Rottum naar Oudehaske loopt nu uit in het Nannewijd, dat er toen nog niet was. Destijds lag ongeveer 100 meter ten westen van de driesprong (bij de kerk in Oudehaske) de bekende Haskerbrug. Ten noorden hiervan kwam men in de Haskervaart en kon men vandaar Heerenveen en ook Joure gemakkelijk bereiken. Oudehaske het centrale punt Oudehaske schijnt destijds een centraal punt geweest te zijn, getuige het feit, dat daar zes “landsbedienden” (commiezen) waren gestationeerd. Alle binnenvaart uit Overijssel ging hierlangs. Nu moet het voor de douane wel vreemd geweest zijn dat de “poepen” met zes schepen, geladen met turf uit het zuiden kwamen, want het was toch algemeen bekend dat deze lieden in de regel geen turfhandelaren waren. Bovendien passeerden de meeste turfschepen in zuidelijke richting. Toch schijnt reeds meerdere malen op deze wijze de smokkelhandel bedreven te zijn. Want er waren enkele veenbazen in Oudehaske die heel goede maatjes met de Munstersen waren. Dat waren Theunis Jacobs de With, Jan Aarts de With en Pieter de Koudewinter. Behalve deze veenbazen waren er nog twee personen die de “poepen” graag zagen komen n.l. Otte Jans, winkelier in zoetwaren en Foppe Pieters, koopman in linnen, “hebbende eene groote winkel in de Haske”. Zij waren het die op die dinsdagavond “toevallig” bij de brug waren en niet gemerkt hadden dat er iets bijzonders aan de gang was. Wel hadden zij de “landsdienaren” gezien die zich met de schepen bezig hielden en ook een menigte “poepen”, maar zonder “bemoeienis” hiermee gehad te hebben waren ze naar bed gegaan, behalve dan Jan Aarts de With. Die had blijkbaar meer gezien, vandaar dat hij het buiten Friesland voorlopiger veiliger vond. Ubbe Sijbrands, de 50-jarige dorpsrechter van Oudehaske was die avond omstreeks 11 uur uit zijn bed gehaald, om de “landsbedienden” bij te staan. Er viel toen echter voor deze boer met de “snaphaen” al weinig meer te doen, want de strijd van de Friese “soldaten” was geëindigd met een nederlaag tegen de overmacht. Het gezag verliest de slag maar… Wat was er gebeurd? Tegen de avond arriveerden zes turfschepen op de rede van Oudehaske. Ze waren behalve met turf ook beladen met mensen. Op elke schuit voeren 8 a 10 man mee. Voor de brug in Oudehaske werd halt gehouden, blijkbaar om wat te gaan eten en de dorst te lessen, alsmede een bespreking te hebben met de “kameraden”. De “landsdienaren” vertrouwden de mannen niet erg, want het was hun duidelijk dat het Munstersen waren en zij wilden wel eens zien wat er onder de turf verborgen was. Vijf  “poepen” en een “half-poep” te weten Joost Tijbes en verder Geert Lammerts, Harm Geusing, Harm Scholten, Geert Boetens uit Munsterland en Dirk Lautenbach uit Harlingen, hielden de wacht bij de turf. Tijdens het zoeken door de commiezen werd het genoemde zestal zeer brutaal. Het gezag werd beledigd en een van de zes was zo vrij om een turf tegen het zitvlak van een commies te gooien. Daar de comiezen dieper begonnen te graven en het linnen zagen, ging één man er op uit om assistentie te halen. Overal in Oudehaske doemden de “poepen” op die, schreeuwend en scheldend, sommigen met hooivorken bewapend, op de commiezen afgingen. Theunis Jacobs de With stond op een verhoging en vuurde de “poepen” aan: ”Toe maar, sla er op”.  De Friese commiezen konden er niet tegenop, getuige de tekst: “zoodanig dat de landsbedienden door het menigvuldig slaan en schoppen en andersints door het zestal zoo ijselijk wierden mishandelt dat zij om haar leven te salveren, genoodzaakt waren de visitatlinnen te overhandigen", vermelden de processtukken niet. Zes werden gearresteerd, die allen bekenden. Zij werden overgebracht naar Leeuwarden. De zes mannen werden voor twee jaren uit Friesland verbannen. De overige daders gepakt Ofschoon er die nacht veel linnen werd gelost en de “poepen” er de volgende dag mee vandoor gingen, kreeg men ze te pakken. Het bleek dat er uit sommige schepen wel 4000 pond linnen te voorschijn kwam. Hoe men er in geslaagd is deze troep van 50 á 60 man een heel lichte straf te geven is de vraag, gezien hetgeen er gebeurd was. Met Theunis de With was het moeilijker. Hij werd als de aanvoerder beschouwd, maar was een man met geld. De rechters achtten zijn schuld niet bewezen en spraken hem vrij. Jan Aarts de With, Pieter de Koudewinter, Otte Jans en Foppe Pieters zijn niet voor het Hof geweest. Zij gingen met andere “poepen” vrijuit wegens gebrek aan bewijs.

Douma State Het artikel onderzoekt de oorsprong van Doumastate en de naam Spannenburg, waarbij nieuwe gegevens worden gebruikt om eerdere aannames te corrigeren. Lange tijd werd gedacht dat predikant Tjebbe Laas Spannenburg, door Roel Pieters ‘de preekfeint’ genoemd, de bouwer was van Doumastate. Uit nieuwe informatie blijkt echter dat zijn zoon, Laas Tjebbes Spannenburg, de daadwerkelijke bouwer was. In het document staat letterlijk: ‘Niet de ‘preekfeint’ (…) bouwde Doumastate (…) maar zijn zoon deed dat.’ Laas Tjebbes werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn vader predikant was. Het gezin verhuisde in 1810 naar Ouwsterhaule, waar de predikant tot 1840 diende. De periode was zwaar: eerst de Franse tijd met financiële en geestelijke problemen, later de grote overstroming van 1825. De vader werd in 1837 ziek en ging in 1840 met emeritaat. Hij overleed in 1869, waarschijnlijk in Sneek. De vraag waarom een zieke predikant een state zou bouwen, wordt hiermee beantwoord: hij deed het niet. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) bevestigt dat Laas Tjebbes Spannenburg Doumastate bouwde in 1845–1846, deels met afbraakmateriaal van de oudere Doumastate in Langweer. Tijdens restauraties in 1974 bleek dat veel onderdelen — kozijnen, balken, betimmeringen — daadwerkelijk hergebruikt waren. De oorspronkelijke Doumastate in Langweer was een voornaam landhuis, beschreven in de Tegenwoordige Staat van Friesland (1785–1789) als ‘een zeer vermaaklijk Landhuis (…) welk een fraay gezigt heeft over de Wielen’ Het stond op de plek waar ooit de stins van de invloedrijke familie Douwma had gestaan. Toen J. Craandijk Langweer bezocht (1875–1882), was het huis al gesloopt; het frontespies met wapens was toen zichtbaar op de herberg Spannenburg. Laas Tjebbes was van oorsprong zilversmid. Hij werkte achtereenvolgens in Joure, Balk en Sint Annaparochie, tot hij zich in 1846 liet uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem aanwezig. Hij trouwde in 1832 met Katarina Hendriks van der Goot, met wie hij vijf kinderen kreeg. Na haar overlijden in 1840 hertrouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. Met haar begon hij in 1845 aan de bouw van zijn ‘droomhuis’. Doumastate werd een logement en boerderij, strategisch gelegen aan drukke routes. Later, door de aanleg van het Prinses Margrietkanaal en de hoge brug, raakte het gebouw uit het zicht. Toch bleef het een markant punt, en gaf Laas Tjebbes zijn naam aan de huidige buurtschap Spannenburg. Doumastate blijft, zoals de auteur besluit, ‘altijd een foto waard’. Douma Stins/State (Het complete artikel) Het boek De historie gaat door het eigen dorp van schrijver A. Algra meldt dat de oude stins (stins betekende meestal ‘sterkte’) in de veertiende eeuw in Langweer stond. Niet bekend is of de adellijke woning destijds Douma‑stins of Douwema‑stins werd genoemd. Vermoed wordt dat het gebouw aan het eind van de veertiende eeuw, dus tussen 1375 en 1400, is verrezen. De stins was opgetrokken van oude friezen (kloostermoppen, middeleeuwse bakstenen) en bestond uit twee verdiepingen, met daaronder een kelder en gewelven. Tussen twee topgevels bevond zich een zadeldak. Een brede gracht om de woning moest aanvallen van buitenaf weren. De enige toegang was een houten brug. Voor de stins stond een gebouw dat de naam Veythuys droeg. Van daaruit kon een eventuele aanval worden afgeslagen. Jancko Douma Het geslacht Douma woonde in de vijftiende eeuw in Langweer. Een zekere Ocke Gerritsma had een zoon Douwe Douwema, die eigenlijk Douwe Ockama heette. Douwe trouwde omstreeks 1430 met Foeck Fockema uit Langweer en stierf rond 1450. Haar vader, Jancko Fockema, woonde destijds in Langweer. Douwe Douwema zou toen het wapen van zijn vrouw hebben overgenomen en op de stins van zijn schoonvader zijn gaan wonen. De zoon van Douwe, Jancko Douwema, die meestal ‘de Âlde’ werd genoemd, woonde er ook. Dit was een neef van Jancko Douwema uit Oldeboorn, die in tegenstelling ‘de Jonge’ werd genoemd en bekend was uit de tijd van de Vetkopers en wiens werkzame leven eindigde op het schavot. Jancko Douwema uit Langweer was betrokken bij de Donia‑oorlog, die uitbrak in 1458 en werd veroorzaakt door Agge Donia uit Sloten. Jancko stierf in 1476. Door het regentschap van de hertog van Saksen, die het beheer over het onder elkaar vechtende Friesland had gekregen, werd een nieuwe belasting ingevoerd: de Saksische jaartax, ook wel floreinbelasting genoemd. Deze werd in 1500 aangekondigd en in 1501 als eerste in Friesland ingevoerd, omdat hier nauwelijks een belastingsysteem bestond. In 1504 eiste de hertog dat de Friese adel hun eigendommen aan hem overdroegen en die vervolgens als ‘lening’ terug konden krijgen. Bijna de hele Friese adel tekende een protestbrief. De eis werd afgekocht, maar de jaartax bleef. Onder de ondertekenaars was ook Idzert, de zoon van Jancko. In die roerige tijd sloot de Gelderse hertog in het geheim een overeenkomst met de Friese adel om Friesland binnen te vallen en de Saksen te verdrijven. De Geldersen kwamen in Gaasterland aan wal en nadat ze Sloten hadden ingenomen, viel geheel Zuid‑ en Midden‑Friesland in hun handen. ‘Lytse Jancko’, de oudste zoon van Idzert, werd toen aangewezen als slotvoogd van Sloten.Toen de Saksische hertog ook in Groningen in conflict kwam met de Gelderse hertog, werd het regeren van Friesland hem te veel. Hij verloor de moed en onderhandelde met de Bourgondiërs over overdracht van Friesland. In 1515 stond hij zijn rechten op Friesland af aan de Bourgondiërs voor 100.000 gulden. Ondertussen was de strijd tussen de Geldersen en Bourgondiërs nog hevig. In november 1517 trokken de Bourgondiërs naar het zuiden, ook naar Langweer, waar vele huizen werden platgebrand. Ook de Douma‑stins bleef niet gespaard. De stins werd in de jaren daarop herbouwd en rond 1525 kwam Idzert Janckes (Douwema) uit Langweer op de stins wonen. Hij had een zoon Jancko, die op zijn beurt drie zoons had: Idzert, Foppe en Erasmus. Idzert woonde later in Britsum, Foppe in of bij Leeuwarden. Erasmus woonde op de stins en werd in 1577 grietman van Doniawerstal. Later werd hij gevangengenomen door Spaanse benden die Friesland binnenvielen. Ook zijn opvolger, grietman Tiete van Hettinga, viel in handen van de plunderaars. Van 1610 tot 1615 woonde grietman Joh. van Clant op de stins; zijn moeder was een Douma. In 1635 woonde er een Saepck, weduwe van Barthold Douma. In 1722 werd bij een tekening vermeld dat Ansck Doys Barthols van Douma, weduwe van Jonker Caler Doys, eigenares was. De Doys‑familie woonde hier in 1748 nog. Een zoon uit dit huwelijk, Jonker Gerlich Willem Doys, trouwde met Juliana van Haersma. Later trouwde zij met J. Baron van Geusau. Douma State Waarschijnlijk werd de stins vlak voor 1793 gesloopt. Aan het eind van de achttiende eeuw schreef men dat in de tuin van het slot een stuk grond was waarop de oude stins van Jancko Douma had gestaan. In 1787 schreef men over de Douma State met het uitzicht over de Wielen. Het was toen de zomerwoning van mevrouw de weduwe Geusau Haersma. In 1793 werd op deze plaats een nieuw huis gebouwd met twaalf, zowel grote als kleine kamers, elk voorzien van een marmeren schoorsteenmantel en wat verder in een deftig herenhuis past. Dit landhuis is kleiner geweest dan de oude stins. Waarschijnlijk is de stins in het bezit geweest van de Vegelins, want op 26 december 1817 stierf op Douma State Christine Ansck van Burmania, de echtgenote van Jonkheer Assuerus Vegelin van Claerbergen. Haar man stierf op 15 januari 1820. Douma State is eveneens in het bezit geweest van de familie Queastius, die later naar Dronrijp verhuisde, namelijk naar ‘Schatzenburg’. Zij hebben veel goed gedaan voor Dronrijp; nog altijd spreekt men daar van het ‘Queastius-bosk’. In 1787 werd tevens geschreven dat zich in de hovinge van de state een vierkant stuk grond bevond met grachten omgeven, waar vroeger de stins van Jancko Douma had gestaan. Tot 1906 bleef bedoeld stuk grond bewaard. Dit was toen in het bezit van de familie De Beaufort en is aangekocht door Durk Tjebbes Hepkema, die daar een renteniershuis liet bouwen. Dit huis kreeg de naam ‘de stins’ en is nu het eigendom van dokter Van Leusden. De state zelf zal gestaan hebben waar in 1909 een nieuwe zuivelfabriek was gebouwd, dat nu hotel ‘De Wielen’ is (en ook dat al niet meer, fmr). Bij deze zuivelfabriek stond de directeurswoning, dat nu de zeilschool van Boertjens is. Tussen de Douwema State en ‘de stins’ stond vroeger nog een zogenaamd Vechthuis (Veythuys). Tjebbe Laas Spannenburg Op donderdag 20 maart 1845 werd Douma State voor afbraak verkocht. Volgens een advertentie uit de Leeuwarder Courant van 8 maart 1845 bestond de state uit twaalf kamers, twee keukens, een waskelder, een grote kelder en zolders met beschoten dak. De oude stins moet uit nog veel meer kamers hebben bestaan, namelijk 24. De officiële koop vond plaats op 21 maart 1845, toen dominee Tjebbe Laas Spannenburg uit Ouwsterhaule voor 1600 gouden guldens in het bezit kwam van de state. Hij was op 3 november 1782 geboren te Harlingen en was getrouwd met Antje IJsbrands Stuurwold en later met Gerrytje van der Weide. Van hem is verder bekend dat hij vanaf 1807 ook als predikant in Goingarijp is geweest. Het schijnt dat de man daarnaast goudsmid en jachtmeester was. Op 1 januari 1840 ging Tjebbe Laas Spannenburg met emeritaat. Hij woonde tot die tijd in een haveloze pastorie in Ouwsterhaule. De ongetwijfeld niet onbemiddelde dominee liet het gebouw verplaatsen naar de plaats die nu Spannenburg heet. De verhuizing vond plaats over het water, via de Koevorde, het Slotermeer, de Gaestfeart en de Tilfjordensloot naar de huidige plaats. De weg via Legemeer en Finkebuorren was er in die tijd nog niet. Het water dat nu ‘Prinses Margrietkanaal’ heet, werd tussen 1910 en 1914 gegraven. Over de herbouw van de woning heeft men ongeveer vijf jaar gedaan. Dominee Spannenburg bouwde het huis oorspronkelijk als jachthuis. Ook moeten er rond die tijd bossen rondom de woning zijn geweest. Later werden de bossen gekapt en wegen aangelegd, waardoor de State aan de kruising Lemmer‑Sneek‑Joure‑Sloten kwam te liggen. Laas Tjebbes Spannenburg Niet de predikant Tjebbe Laas Spannenburg bouwde Doumastate op het kruispunt van de wegen Lemmer‑Sneek en Sloten‑Joure, maar zijn zoon Laas Tjebbes Spannenburg. Hij werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn ouders toen de pastorie bewoonden. In 1810 verruilden zij die plaats voor Ouwsterhaule. De vader van Laas Tjebbes bleef daar tot 1 januari 1840 in het ambt. Het was geen gemakkelijke tijd voor het domineesgezin: eerst de Franse tijd met geestelijke en financiële zorgen, daarna in 1825 de grote overstroming. De predikant stond toen vaak alleen voor het pastorale werk in de gemeente, omdat de kerkenraad, bestaande uit boeren, in die periode genoeg had aan de eigen beslommeringen. In 1837 werd de predikant ziek en daarom ging hij in 1840 met emeritaat. Hij sleet de rest van zijn leven in Harlingen, zijn geboorteplaats, en stierf op 2 maart 1869, waarschijnlijk in Sneek. Laas Tjebbes, de bouwer van de nieuwe Doumastate, was zilversmid van beroep. In 1828 werd hij zilversmid in Joure. Drie jaar later oefende hij dat beroep uit in Balk tot 1843 en vanaf dat jaar tot 1846 in Sint Annaparochie. In dat laatste jaar liet hij zich uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem te vinden en in particulier bezit bestaan nog zilveren breinaalddoppen van zijn hand. Op 12 februari 1832 trouwde Laas Tjebbes met Katarina Hendriks van der Goot. Zij kregen vijf kinderen, waarvan er twee de moeder overleefden, die in 1840 stierf. In datzelfde jaar trouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. In 1845 begon hij met zijn tweede vrouw aan de bouw van zijn ‘droomhuis’, de nieuwe Doumastate bij Spannenburg. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) vermeldt dat de bouwer van Doumastate Laas Tjebbes Spannenburg heet en dat dit gebeurde in 1845/1846. Het boek zegt dan: “Eigenlijk is hier sprake van een gedeeltelijke herbouw van de Doumastate Langweer, welke dateerde uit 1793. Het pand was toen echter aan beide zijden één venster breder, terwijl de ramen van kleine ruitjes waren voorzien. Het pand bevatte toen 12 kamers. Tijdens de restauratie in 1974 is inderdaad gebleken dat bij deze herbouw veel materiaal van de Doumastate (Langweer) is hergebruikt, zoals kozijnen, balken en allerlei betimmeringen.” Zijn uitspanning lag op een gunstige plek. Veel volk op weg naar markten, feesten, begrafenissen en andere gebeurtenissen kwam erlangs en gebruikte het logement als pleisterplaats. Die strategische ligging bleef ook toen in 1910–1914 het Prinses Margrietkanaal werd gegraven. Door de latere hoge brug werd Doumastate helaas voor een groot deel aan het zicht onttrokken. Herberg Vanaf 1888 werd het pand bewoond door Minke v/d Meer, die enkele kamers heeft benut als logement. Vanaf 1904 werd het pand verhuurd aan de gezusters Jantsje en Lolkje Schurer. Tot 1923 zwaaiden zij de scepter in de herberg ‘Het Wapen van Friesland’, ook wel ‘Huize Spannenburg’ genoemd, die bekend werd tot in de wijde omtrek. In 1923 werd het pand gehuurd door Jan Hendrik Schutter uit Harich, die samen met zijn vrouw de herberg voortzette. Via een advertentie in de Balkster Courant vroegen zij een boerenhulp, en op 12 mei 1923 kwam de zestienjarige Piet Mandemaker bij de Schutters in dienst. Naast de herberg had Schutter een stalhouderij. Omdat de herberg op een knooppunt van wegen lag, was het altijd een drukte van belang. In die tijd waren er nauwelijks fietsen of auto’s en vond het vervoer plaats door middel van de diligence. Veel boeren staken op dinsdag en vrijdag aan, nadat zij van de markt in Sneek of Leeuwarden kwamen. Ook na begrafenissen werd de herberg druk bezocht. Piet Mandemaker moest op de tilbury’s passen, terwijl de boeren even een hapje aten of aan het wandelen waren. Ook de postkoets kwam regelmatig langs. De post vanuit Lemmer, Joure, Sneek en omgeving werd uitgeladen en klaargelegd om overgeheveld te worden in een andere postkoets, die naar het dorp van bestemming reed. Vooral met de Jouster Merke was het ontzettend druk; dan waren er soms wel honderd rijtuigen. Piet Mandemaker heeft ongeveer twaalf jaar, met een tussentijdse onderbreking van twee jaar, bij Schutter gewerkt. Woorden van Mandemaker: “Al wat der barde, want it gong betiden rûch, Schutter bleau de baas yn syn eigen hûs.” Het echtpaar Schutter had twee dochters, Klaasje en Coba. Hun beide mannen, Date Snijder en Tjeerd de Jong, zetten later de zaak voort. Bij de herberg hoorde ook een groot stuk land. Schutter begon met twaalf koeien. Zijn beide schoonzoons hadden er later zo’n veertig, omdat zij meer land konden bijkopen. Tot 1965 zetten Tjeerd de Jong en zijn vrouw Coba de zaak voort. In die jaren was de klandizie sterk teruggelopen. Tijdens de oorlog hadden de Duitsers de draaibrug bij Spannenburg opgeblazen, wat met zoveel geweld gepaard ging dat door de klap alle ruiten in ‘Huize Spannenburg’ sprongen. Daarmee ging een uniek stuk historie verloren, want in de ruiten waren alle namen van de bewoners van de woning gegrift. Ook een gat in de zolder herinnert nog aan de Duitse bezetting: een Duitse soldaat schoot zijn geweer leeg door het plafond in de gelagkamer. Na de oorlog werd een nieuwe brug gebouwd. Daardoor was de herberg moeilijk te bereiken. In 1954 kwam het pand in het bezit van baron Van Holten tot Echten, die gehuwd was met een afstammelinge van de familie Feltz. De State werd toen bewoond door Tjeerd de Jong. Tussen 1972 en 1973 is Seviardus Johannes Galama nog eigenaar geweest. Johannes Visser In 1973 kocht Johannes Visser, samen met zijn maat Ynze Leenstra uit Teroele, de oude stins. “It wie in útwenne pand,” vertelde Johannes in 1984 in een interview. “En it moast taksearre wurde. Ik wie der daalik wei fan. Ûnder de kofje ha’k it kocht. Myn frou seach it letter pas, mar dy wie der fuortendaliks fereale op.” Voor 2 ton (guldens) werd het pand onder Monumentenzorg gerestaureerd en in zijn oude glorie hersteld. Het vakmanschap en de liefde voor monumenten van Johannes Visser hebben de Douma State laten worden zoals het er heden voorstaat. De schoorstenen kregen nieuwe borden, de pleisterlaag op de state werd vervangen en de ramen werden weer schuifbaar gemaakt. “Hwat bin ik in gelokkich man; it is myn earste en twadde hûs tagelyk.” Bij de verbouwings werkzaamheden ontdekte Johannes nog een stuk fundering naast het huis. Kennelijk heeft Laas Tjebbes Spannenburg na de verhuizing vanuit Langweer de bedoeling gehad er nog een stuk bij aan te bouwen. In alle kamers van het pand zijn de oude kleuren rood en groen terug te vinden. Op aanwijzing van Piet Mandemaker zijn nog enkele zaken aangepast, zoals een bedstee die altijd in de gelagkamer is geweest, maar tijdens de periode dat Schutter herbergier was, eruit verwijderd werd om meer ruimte te scheppen. De bedstee bij de woonkeuken is in de tijd van baron Van Harinxma Thoe Slooten altijd beslapen door de huishoudster. Nu wordt deze bedstee gebruikt als opslagruimte. Men bereikt de woonkeuken vanuit de gang via een trap naar beneden. Ook is de oude wijnkelder bewaard gebleven. In de periode Langweer moet hier een nooduitgang in hebben gezeten, via waar men onder de ophaalbrug over de gracht terechtkwam. Deze nooduitgang werd later dichtgemaakt. In de woonkeuken liggen prachtige oude zandstenen plavuizen van 55 bij 55 centimeter, die volgens kenners vijf eeuwen oud moeten zijn. Uit de periode van baron Van Harinxma Thoe Slooten dateert nog een zogenaamde geweerkast van bijna twee meter hoog en een decimeter breed bovenaan de trap bij de woonkeuken, waar destijds de geweren werden bewaard. In de woning zijn nog talloze karakteristieke plekjes. De drempel van de gelagkamer is finaal uitgesleten door de vele klompen die er jarenlang overheen zijn gegaan. Ook een gedeelte van de houten vloer achter de tapkast is uitgesleten over een oppervlakte van een meter bij dertig centimeter (lengte van de voet), door het heen en weer schuifelen van de herbergier. In het huis is slechts één slaapkamer. Dit kamertje werd in de tijd van de dames Schurer en de familie Schutter gebruikt voor toneelploegen die zich moesten verkleden voordat zij op het podium van de aangrenzende dorpszaal konden verschijnen. Deze ruimte wordt nu niet meer als zodanig gebruikt. Op het erf, waar alleen een eeuwenoude put aan de geschiedenis van de Douma’s herinnert, zijn grote overdekte opslagruimtes voor hout en machines geplaatst. Verder is er een modern zwembad, dat op ingenieuze wijze wordt verwarmd. De houtspaanders uit het aannemingsbedrijf worden door een tientallen meterslange buis vervoerd en komen, evenals het andere afvalhout, terecht in een grote brandende haard, die ooit in het Parochiehuis in Sint Nyk heeft gestaan. Via andere buizen wordt het water van het zwembad verwarmd. In de hoek van het moderne overdekte zwembad aanschouwt een heiligenbeeld, met een badmuts over de oren getrokken, de verrichtingen van de zwemmende Tjerkgaasters. Geen baron of grietman die dat ooit had durven dromen. In ieder geval blijft Douma State, zoals dat pand er nu bij staat, zo onderaan de brug bij Spannenburg, een waardevol, fraai en groot huis. Wij hebben de uitgesleten drempel gezien en ook de oude plavuizen in de eetkelder. De gelagkamer is nog vrijwel intact.

Oud-Jouster tekende voor de E van EDAH Het artikel beschrijft de geschiedenis van de familie Ebben uit Joure en hun onverwacht grote rol in het ontstaan van de landelijke winkelketen Edah. De aanleiding is dat Jacobus Johannes Ebben, geboren in Joure in 1875, voor veel huidige inwoners geen bekende naam meer is, terwijl hij in 1917 medeoprichter was van de N.V. Handel in Koloniale Waren EDAH. De familiegeschiedenis begint met Lambertus Jacobus Ebben, die in 1863 vanuit Udenhout naar Joure kwam en trouwde met Trijntje de Jong. Lambertus werkte als marskramer en later als agent voor Douwe Egberts, waarvoor hij te voet door Friesland reisde. Het gezin woonde aan de Midstraat, waar zij een winkel in ijzerwaren runden. Na een grote brand in 1881 werd hun huis herbouwd, maar Lambertus overleed al in 1886. Zijn vrouw en kinderen, onder wie zoon Jacobus, zetten het werk voort. Jacobus werkte vermoedelijk in de winkel van Cornelis Johannes de Jong, later de tweede stichter van Douwe Egberts. Deze ervaring vormde zijn handelsgeest. In 1900 vertrok Jacobus naar Helmond, waar hij een winkel in koloniale waren begon. Dit groeide uit tot een kleine keten, waarin ook familieleden werkten. In Brabant en Limburg vestigden zich rond dezelfde tijd meer Friese ondernemers. In 1910 richtten vier van hen — Ebben, Dames, Aukes en Hettema — de Combinatie Edah op, bedoeld voor gezamenlijke inkoop. In 1917 werd dit omgezet in de N.V. EDAH. De Jong werd commissaris en bleef tot 1935 betrokken. Jacobus Ebben stapte in 1923 uit de N.V., maar zijn winkels werden later alsnog overgenomen. Jacobus werd in Helmond een bekend politicus en overleed in 1961. De Wethouder Ebbenlaan herinnert aan zijn betekenis — een Jouster die nationaal zijn sporen naliet. Oud-Jouster tekende voor de E van EDAH  (Het complete artikel) Straatnamen zijn onmisbaar als onderdeel van adresgegevens maar veel van die namen zijn meteen ook bruggen naar het verleden. Dat is het geval als gekozen is voor straatnamen die herinneren aan bekende persoonlijkheden. Leden van koninklijke families, presidenten, staatslieden, wetenschappers, componisten, dichters, schilders en schrijvers, altijd en overal goed voor een straatnaam. Men kan echter ook dichter bij huis blijven. Dat heeft men in Joure in ruime mate gedaan, alhoewel men daar ook heeft gedacht aan Einstein, Pasteur, Madame Curie en nog een handvol andere beroemde wereldburgers van weleer. Maar terecht is in straatnamen ook de herinnering bewaard gebleven aan Jousters die zich in het verleden op de één of andere manier verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving. In het straatnamenboek komen we al die bekende namen tegen. Van Aukebaes tot en met Wietske Tadema, bijna 20 in totaal. De mogelijkheden zijn echter nog niet uitgeput. Ook andere familienamen hebben nog altijd een bekende klank: Rinkes, Taconis, Cath, Jongbloed en zo zou men nog wel even door kunnen gaan. Door allerlei publicaties zijn hun antecedenten wel bekend. Of die voldoende zijn voor een straatnaam, moeten de naamgevers maar beoordelen. Een naam die voor de meeste Jousters van nu niet zo'n bekende klank heeft, is die van Jacobus Johannes Ebben, geboren en opgegroeid in Joure. In 1917 stond hij echter wel, samen met drie andere Friezen waaronder nog een Jouster aan de wieg van de winkelketen Edah. Een opmerkelijke prestatie, temeer omdat de omstandigheden waaronder hij in Joure opgroeide, niet optimaal waren. Vandaar een terugblik op de band tussen de familie Ebben en Joure. Het begon allemaal op 25 april 1863 met de komst van Lambertus Jacobus Ebben geboren op 23 augustus 1834 in Udenhout, naar Joure. Hij liet zich inschrijven als schoenmaker. De geschiedenis vermeldt niet wat hem nu uitgerekend naar Joure dreef, maar wel wat en wie hij daar trof. Dat was de jongedame Trijntje de Jong, geboren 0p 24 augustus 1834 in Oudemirdum en later inwonend bij een aanverwante familie Doele in Joure. Zij trouwden op 9 september 1866 in de vlecke. Uit de trouwakte blijkt dat de bruidegom zich niet bij z'n schoenmakersleest had gehouden. In die akte wordt hij ‘inlandsche kramer’ genoemd. Hij moet dus regelmatig met koopwaar op stap zijn gegaan. Letterlijk, want de reizen werden te voet gemaakt. Deze trektochten in de omgeving van Joure hebben in belangrijke mate de toekomst van de familie Ebben bepaald, Maar daarover later meer. Goed verkocht en goed getrouwd? Bij de voltrekking van het huwelijk van Lambertus en Trijntje was van de ouders alleen de moeder van de bruid. Anna Johanna Straatsma als getuige aanwezig. Zij bezat in Sondel een 'ververij en glazenmakerij’. De ouders van de bruidegom, Jacobus Ebben en Maria Catharina Berkelmans en de vader van de bruid, Jan Jans de Jong, waren reeds overleden. De marskramer moet goed hebben verkocht. Het kan ook zijn dat hij, wat men noemt, “goed is getrouwd”. Misschien heeft zowel het één als het ander een rol gespeeld. Maar hoe het ook zij, het jonge paar betrok een royaal woon- en winkelhuis in het Gaubuursterkwartier, om precies te zijn aan de Midstraat nu nummer 84, waar nu GPR-telefoonwinkel zit. De band met Douwe Egberts In 1874 werd Lambertus Ebben door zijn overbuurman Johannes Hessel de Jong aangenomen als agent voor de Firma Weduwe Douwe Egbertszoon. Hij bereisde voor die firma, opnieuw te voet, het midden en zuiden van Friesland. Bekend terrein dus, waar hij bovendien al een klantenkring had opgebouwd. Als hij op pad was, beheerde z'n vrouw de winkel waar ijzerwaren werden verkocht. Het echtpaar Ebben kreeg drie dochters en één zoon: Anna Henderika (1869). Regina Maria (1870). Maria Jacoba (1873) en Jacobus Johannes (1 1 januari 1875). Johannes Hessel de Jong overleed in 1883, waarna diens zaken werden voortgezet door zijn 14-jarige zoon Cornelis Johannes, die later bekend werd als de tweede stichter van Douwe Egberts. Zijn voogd was Alexander Brenninkmeyer een bekende figuur in de zakenwereld van die tijd. Ook onder de gewijzigde omstandigheden bleef de band van Lambertus Ebben met Douwe Egberts bestaan. Bij een brand in de nacht van 14 op 15 oktober 1881 ging een 15-tal panden in het centrum van Joure verloren, waaronder het woon- en winkelhuis van de familie Ebben en het herenhuis van de familie De Jong. Een pakhuis achter de woning van de familie Ebben bleef gespaard. Alle door de brand getroffen eigenaars lieten hun pand herbouwen, ook Lambertus Ebben. Reeds op. 15 mei 1882 kon hij de nieuwbouw in gebruik nemen. Na de brand Lambertus Ebben heeft niet lang plezier van z'n nieuwe winkel gehad. Hij overleed 17 april 1886 op 52-jarige leeftijd. Zijn vrouw bleef in de ijzerwinkel achter de toonbank staan want er moest wel brood op de plank blijven. De oudste dochters droegen als modiste een steentje bij en Jacobus deed dat als winkelbediende. Kortom, het waren moeilijke tijden voor de familie Ebben en dat zal voor Cornelis Johannes de Jong niet verborgen zijn gebleven. Het ging tenslotte om z'n overburen en bovendien was Lambertus jarenlang één van zijn agenten geweest. Ook gelet op ontwikkelingen in een later stadium mag wel worden aangenomen dat Jacobus bediende is geweest in ’De Witte Os', de winkel van Cornelis Johannes de Jong. In hem heeft Jacobus dan een goede leermeester gevonden. Zijn baas was koopman in hart en nieren. Bovendien raakte de jonge bediende aardig bekend met de verkoop van koloniale waren. Zowel het één als het ander heeft een beslissende rol in zijn leven gespeeld. Van winkelbediende tot winkelier De tiid hâldt gjin skoft. Dat geldt voor iedereen en dus ook voor Jacobus Ebben. Op 29 mei 1900 trouwde hij in zijn geboorteplaats met Alida Hiemstra. Zij was een dochter van Gerrit Sijbrens Hiemstra, die in de bevolkingsregisters achtereenvolgens landbouwer, veehouder en boer in Westermeer wordt genoemd. Zijn vrouw, Ytje Haayes van der Werf was op 5 juni 1882 overleden. De bruidegom was voor de voltrekking van zijn huwelijk even teruggekomen naar Joure. op 9 januari 1900 was hij vertrokken naar Helmond, waar hij was begonnen met een winkel in koloniale waren. Dat bleek het begin te zijn van een winkelketen onder de naam N.V. Handel in Koloniale Waren J.J. Ebben. Een week na hun huwelijk vertrok het jonge paar definitief naar Helmond. Het moet hen daar zakelijk voor de wind zijn gegaan. Al spoedig werden meer Ebben winkels geopend, onder meer in Heerlen, Weert en Roosendaal. Het winkelpersoneel werd deels gerekruteerd uit de familiekring. In de periode 1900-1906 vonden ook IJsbrand, Jan Evert en Sjutje Hiemstra de weg naar Hemond. Moeder Ebben ver trok in januari 1904, samen met haar doch ter Regina Maria, ook al naar Brabant. Haar jongste dochter, Maria Jacoba, was in 1892 vertrokken naar Boxmeer en haar oudste dochter, Anna Henderika, was op 13 oktober 1898 overleden.  Een avondje stappen Ondanks alle veranderingen ging het contact tussen Jacobus Ebben en Cornelis Jo hannes de Jong niet verloren. De heren ontmoetten elkaar regelmatig in Hoensbroek. Overdag werden de zaken besproken en 's avonds werd een bezoek gebracht aan Aken. Zo’n avondje stappen lijkt dus wel van alle tijden te zijn. Ondanks de oorlog wilde Cornelis Johannes ook in 1915 niet van die gewoonte afwijken. Die keer ging hij alleen naar Aken want Ebben had, zo schreef hij in zijn dag boek, geen pas. Wel bezichtigden zij een paar dagen later samen de grotten in Valkenburg. Veelzeggend is ook de volgende aantekening in de dagboeken: 'Woensdag 27 augustus 1913 hebben Ebben en ik in Hoensbroek, dichtbij de grote mijn, voor fl. 3.25 per m2 een stuk grond gekocht. Hebben plan er een winkelhuis te bouwen'. Dat zal dan wel een Ebben-winkel geworden zijn. Een simpele aantekening die echter onmisbaar wijst op een zakelijke samenwerking. Friezen vonden elkaar Het succes van Jacobus Ebben drong door tot in Friesland. Zijn voorbeeld kreeg, al dan niet toevallig, ook navolging. Drie andere wijst op een vorm Friezen trokken eveneens zuid waarts: in 1903 Servaes Bernardus Dames, In 1904 Johannes Bernardus Fransiscus Hettema en in 1909 Jan Nicolaas Aukes, afkomstig uit respectievelijk Leeuwarden, Bolsward en Woudsend. Ook zij bouwden in Brabant en/of Limburg een eigen winkelketen op. In dit verband duikt ook weer de naam op van Cornelis Johannes de Jong. In Joure was het een publiek geheim dat hij daar beginnende zakenlieden - en dan vooral broeders in het katholieke geloof op de één of andere manier de helpende hand bood. Mogelijk reikte die hand tot in Brabant en Limburg. De vier geëmigreerde Friezen waren in ieder geval geen onbekenden voor hem. Dames en Aukes hadden zelfs een tijdlang voor hem gewerkt. Het paste bovendien uitstekend in zijn onvermoeid streven naar uitbreiding van het aantal verkooppunten waar zijn tabak, koffie en thee over de toonbank zouden kunnen gaan. Door de vier Friezen werd in 1910 de 'Combinatie Edah' opgericht, vooral bedoeld als instrument voor gezamenlijke inkoop. In de naam van de combinatie zijn de familienamen van de vier stichters, althans het begin daarvan, terug te vinden: de E van Ebben, de D van Dames, de A van Aukes en de H van Hettema. De combinatie werd per 31 mei 1917 ver vangen door de 'N. V. Handel in Koloniale Waren EDAH’, De letter D bleef in de naam staan ondanks het feit dat Servaes kenbaar wijst op een vorm van zakelijke Dames die zich vóór de oprichting had teruggetrokken. Als tegenprestatie werd toegezegd dat zijn belangen voorlopig zouden worden 'geëerbiedigd'. In de praktijk betekende het dat voorlopig geen Edah winkels zouden worden gevestigd in Tilburg en omgeving, het bastion van Dames. De drie overgebleven aandeelhouders werden directeur van de N. V. en benoemden eenstemmig Cornelis Johannes de Jong tot commissaris. Als medebestuurder genoot hij een vergoeding van voorlopig honderd gulden per jaar. Hij vond het kennelijk genoeg om zelfs een erkende feestdag te besteden aan zijn werk voor de N. V. In zijn dagboek vermeldt hij daarover nauwgezet het volgende: Op Paasmaandag 21 April 1919 in totaal 144 aandelen combinatie EDAH, genummerd 376-519, getekend, bestemd voor de heren Vlijminx, de Vogt en Motten en per aangetekend postpakket verzonden naar hun kantoor te Helmond. Tot 1935 bleef de heer De Jong betrokken bij de N. V. Edah. Zijn vroegere plaatsgenoot Jacobus Ebben hield het minder lang vol. In 1917 waren de Ebben-winkels buiten de N. V. gebleven, maar in 1923 wilden enkele bestuursleden dat die winkels alsnog zouden worden ingebracht. Men kon het echter niet eens worden over de schadeloosstelling en tenslotte liet Ebben zich, met behoud van zijn winkels, uitkopen. Midden jaren dertig werden zijn winkels alsnog door de N.V. overgenomen. Jacobus Ebben had toen al lang en breed zijn weg gevonden in de plaatselijke politiek. Als gemeenteraadslid en als wethouder heeft hij zich jarenlang ingezet voor de plaatselijke gemeenschap. Hij overleed in 1961. De Wethouder Ebbenlaan in Helmond herinnert nog altijd aan de man die vanuit Joure naar Helmond kwam, daar aan de wieg stond van de Edah en in een later stadium ook in de plaatselijke politiek zijn sporen verdiende. Dus tóch een straatnaam.

Boerderijen in en rondom Joure Deze herinneringen van Henk Minnema (2000) schetsen een levendig beeld van de vele boerderijen en koemelkerijen die in de twintigste eeuw in en rond Joure stonden. Het verhaal volgt de oude wegen, stegen en paden, en beschrijft per locatie welke boeren er woonden, hoe zij leefden en hoe de omgeving veranderde door ruilverkaveling en woningbouw. Aan de oostkant van  Joure stonden diverse kleine en middelgrote bedrijven, zoals de boerderij van Bertus Visser, die later een eethuis werd. Achter stegen en werkplaatsen bevonden zich stolpen en stallen van onder meer Johannes Hooghiemstra en Eelke de Boer. Veel boeren haalden hun melkgeld zelf op in het dorp, zoals Liuwe Mulder en Ype van Keimpema. Van deze laatste werd de boerderij later gesloopt en in oude stijl herbouwd als dokterspraktijk. Verderop lagen bedrijven van families als Bergsma, De Jong, Van der Zee en Yntema. Over Douwe Yntema vertelt Minnema een persoonlijke anekdote over de brug bij Remagen: “Zie Henk, die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen.” Veel van deze boerderijen verdwenen door uitbreiding van Joure of brand, of werden verplaatst naar de Haskerveenpolder. Ook aan de noordkant van de Midstraat en langs de Scheen stonden talrijke bedrijven, vaak met hooibergen, kleine stallen of kop-hals-rompboerderijen. Namen als Huitema, Klompmakker, Minnema, Ypma en Grondsma komen voorbij. Sommige boeren hielden slechts enkele koeien of paarden; anderen hadden loonwerk of veekoopmanschap erbij. In Westermeer, het oude hoofddorp, stonden eveneens meerdere boerderijen, waaronder die van Sjoerd Minnema, de familie Landman en Ymke Baaiema. Het gebied veranderde sterk door de aanleg van autowegen en ruilverkaveling, waardoor veel bedrijven verdwenen of verplaatst werden. Samen vormt het document een warm, gedetailleerd tijdsbeeld van het agrarische leven rond Joure, vóórdat modernisering en uitbreiding het landschap ingrijpend veranderden. Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure (Complete artikel Deel 1) Hendrik Cornelis Minnema, (Henk) geboren 22 oktober 1926 te Blauwhuis en overleden op 22 maart 2003 te Heerenveen. Gedurende het grootste deel van zijn jeugd woonde hij aan het Binnenpad op de boerderij achter het kerkhof van Westermeer. Na zijn diensttijd die hij in Nederlands-Indië doorbracht, trouwde hij en werd boer in Vegelinsoord, aan het kanaal. (Meenscharweg). Na de ruilverkaveling aan de Vegelinsweg op een nieuwe boerderij.  Toch lag zijn belangstelling uiteindelijk ergens anders: het toneel en wel Tryater, waar hij diverse functies heeft vervuld en ook een aantal keren een rol toebedeeld kreeg. Hij had een brede belangstelling en na zijn pensionering begon hij te schrijven o.a. over de boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure. Zijn weduwe, mevrouw T. Tuinstra te Drachten, heeft mij toestemming gegeven dit artikel te publiceren met vermelding van zijn naam Theo Mulder. Is Joure een oude naam, een oude plaats? Och, vergeleken met een mensenleven wel, maar in vergelijking tot de natuur en leven nog maar een nieuwe plaats. Trouwens het dorp Westermeer nu dat niet meer bestaat, was nog iets ouder. Daar woonden de mensen vroeger omdat daar wat hogere zandgronden waren. Daar konden ze droge voeten houden omdat de gronden daar boven de zeespiegel lagen. In 1825 had het zeewater bijna tot Joure gestaan. Toen lag de Hoge Zomerdijk daar al die het zeewater keerde. De dijk liep tot aan de Slachtedijk en zo verder naar het noorden zodat een flink deel van oostelijk Friesland niet overstroomde. Dat lag trouwens ver boven de zeespiegel nadat het hoogveen verveend was. Op die gronden was het volgens de bewoners daar niet te boeren. In Westermeer dan wel? Och de boekweit, de haver en korenvelden lagen op de hogere gronden Daar tussenin werd het vee geweid en stonden de boerderijen, veelal aan het Binnenpad zoals dit pad later werd genoemd. De hooilanden lagen verder weg in de tegenwoordige Haskerveenpolder. Vaak was er wel heel veel land bij die boerderijen soms wel 200 pondemaat (1 pondemaat=36,74 are). Boze tongen zeiden wel eens, dat als er genoeg hooi was en het weer werkte niet mee, de boer niet alle jaren in het verste land kwam. Het vervoer was vroeger wel eens een probleem, vooral 's winters. De zandpaden, dat ging nog wel. Maar om van Haskerhoarne naar Nijehaske te gaan (nu Heerenveen) was moeilijk in de winter, door de weke veenpaden in Oudehaske. Over het water was dan een uitkomst en ja, tot het eind van Westermeer, zover kwam het water. Op de laatste zandkop bij Westermeer hadden de mensen destijds een kerk neergezet met natuurlijk een kerkhof er omheen. Ook in die tijd gingen de mensen al dood. Van de eerstgenoemde staat alleen de toren nog, wat het andere betreft daar ligt iedereen nog even rustig. De boeren wilden de dingen die ze over hadden natuurlijk wel verkopen, zoals vee, boter en kaas, maar ook boekweit en haver. Omdat de infrastructuur in die tijden niet optimaal was, zetten ze hun haver en zo in de buurt van het water aan bulten, dan kon het als het gedorst werd, afgevoerd worden. Er zijn altijd mensen die handel ruiken, ook vroeger al. ”In gat in de merk” en gingen wonen in de buurt van die haverbulten. Waar er één is, komen er meer, zoals ambachtslieden. Een smid, een timmerman en zo meer, mooi op een rijtje en tegenover elkaar. Dat pad er tussenin noemen ze tegenwoordig de Midstraat. Omdat het vervoer nog meestal over het water ging, zorgden de mensen wel dat aan beide kanten achter het huis een flinke brede sloot gegraven werd. Velen bouwden ook een stal achter hun huis. Het hele jaar door was er niet altijd handel en dan hadden ze tenminste nog een paar koeien om van te leven in de slappe tijd. Zo door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen wonen. Er kwamen ook stegen bij, die natuurlijk dood liepen bij de sloot of kolk. In zulke stegen konden ze voor een paar centen een kamer met een klompenhokje neerzetten, waar ze de arbeider onderdak geven konden. Ook de arbeidersmensen van de boeren uit Westermeer woonden zoals het schijnt liever op de Joure. De naam Haverkamp was te lang, dus hadden ze het kamp al vallen laten. Veel arbeiderswoningen stonden er later in Westermeer ook niet meer. Allen trokken naar de Joure. Zelfs kerkgangers, dus werd er ook een kerk gebouwd en ze lieten de eigen kerk ‘fertutearzje’. De kermis en de cafés kwamen op de Joure. Het café op de Seewei heeft het trouwens nog lang volgehouden. (‘It heerlijk zitje’, red.)De toren van het kerkhof in Westermeer is het enige dat nog over is van de kerk. Vroeger en ook nog na de laatste wereldoorlog werd de klok buiten een begrafenis twee keer overdag geluid: om 11 uur `s morgens en om 4 uur ‘s middags. Om 11 uur kon de arbeider naar huis toe te eten en om 4 uur was het theedrinkers- en vervolgens melkerstijd. De werktijden begonnen ca. 1940 al te veranderen. De arbeider ging toen al om 12 uur naar huis. Ook het boerenleven in en om  Joure begon na de oorlog te veranderen. Ik ben zo eens nagegaan wie in mijn jonge jaren, dat waren de dertiger jaren, nog een boerderij hadden in en om de Joure. Dat waren heel wat. Winkeliers van de Joure moesten er voor een groot deel van bestaan, al was D.E. en meer industrie  in opkomst in de 19e eeuw. Ook  botenbouw, klokkenmakerijen en meubelmakerijen waren begonnen op de Joure. Daardoor werd de boerensector minder belangrijk. Zodoende zochten steeds meer boeren ander werk  of stopten met werken. Ze gingen ook naar grotere bedrijven en die kleine boerderijtjes waren vrij arbeidsintensief. Zoiets kon niet langer. Later was er veel land nodig om huizen te bouwen en straten aan te leggen. Ook kwamen er meer fabrieken. Er woont nu - en dan gepraat ik over de 90er jaren van de vorige eeuw geen boer meer in de Joure. Wie boerden er voor, in en na de oorlog in en om de Joure? Om te beginnen: de boer van Heremastate, zoals het gezegd werd. Niet dat deze man hereboer was, Hofstra, achter de winkel van IJsselmuiden aan de Appelwijk. In de steeg bij het DE-plein, richting de Kolk, boerde Durk van der Zee, kleine Durk; geen voet grond bij huis. De strontpream lag ‘s winters in de Kolk, en daar werd mest in gemengd. Van der Zee kwam altijd met veel nieuws uit de dorpskom thuis. In de regio tot aan de Torenstraat waren er wel meer met een veestalling, maar of er nog meer boerden in die tijd weet ik niet. Ale Bosma aan het water op de Krim had ook zo’n veestalling met hooiberging. Hij had er wel eens vee staan, meen ik. Verder boerde die met zijn broer Aise aan de Sluisdijk; dat werd later overgenomen door twee jongens van Aise. Dat waren ook de laatsten die er boerden; ze hielden op in de 80er jaren.Op de Sluisdijk zaten diverse boeren; of het er allemaal nog Sluisdijk heette, weet ik niet. Om te beginnen: Sipke Bosma woonde er op het spul waar eerst zijn vader Jan woonde. Via de verkaveling is S. Bosma na de Meenscharweg verhuisd, waar een nieuwe boerderij gebouwd is. Dan boerde er Sikke Soeting en later zijn zoon Germ. Ook hij verhuisde via de ruilverkaveling naar de Oude Geeuw. Zijn broer Gerrit werd kippenboer. Ytsen Stilma boerde er tot aan het eind van zijn boerzijn, met een ‘pôltsje’ land bij huis en verder alles ver weg. Hij haalde ook wel schillen en oud brood op in Joure. “Altijd zie ik het na op scheermesjes en zo”, zei hij wel eens. “Anders erg goed vreten voor de dieren”, was hij van mening. Ook Geert Jongsma woonde er; hij is via de ruilverkaveling verhuisd naar de Wyldehoarnstersingel. Dan nog voor de brug in de Slûsdyk: Piet van der Laan en later zijn zoon Roel. Roel van der Laan ging later na het wonen en boeren naar de Skarren. Er moet ook een de Jong in de steeg bij Marten Bosma, de winkelier op ‘t Zand voor de Torensteegbrug, gewoonde hebben. Die zat aan het eind bij het water van de Schipsloot en had land in de Haskerveenpolder. Dan op naar Eigen Haard. Eerst Oene Loopstra, met zijn zoon Rienk, die wat slecht lopen kon. Ze hadden een stuk of zes koeien, die een beste sloot melk gaven. Oene had het wel over de middelste stal, over de tweede stal van boven en dan weer over de tweede stal van onderen, maar dat was wel altijd dezelfde stal. En dat die koeien een sloot melk gaven; maar dat waren dan wel altijd dezelfde koeien. Een eindje verder boerde Boudewijn van der Werf, bij de Penninga`s molen. Deze boer stond bekend om zijn stevig gebouwde dochters. Dan naar de Slachtedyk, waar Bernardus Holtrop boerde en later zijn zoon Gerrit. Deze boer en koopman is later door D.E. naar de Woudfennenn ‘gedacht’. D.E. wilde wel wat meer ruimte hebben voor fabrieksuitbreiding. In de Wâldfinnen wonen de Holtrops ook niet meer. Die boerderij is later verbouwd tot sauna. D.E. in de persoon van oude meneer Kees de Jong, beter bekend als ‘meneer He’, heeft zelf in de laatste oorlog ook nog aan de Slachtedijk geboerd. Dat ging vooral, omdat de bezetter bevolen had, dat boerenland in boerenhand moest, zodat alleen een praktiserend boer land mocht kopen. Dus werd meneer de Jong ook boer. Verderop naast de Zwagemervaart woonde en boerde nog Jan Hooghiemstra; zijn boerderij is ook door D.E ingelijfd. Bij Jan Hooghiemstra achter het huis een eindje de polderdijk langs met een bruggetje  over de Zwagemervaart boerde Rindert Brouwer nog. Vroeger stond ‘s winters het land eromheen meestal onder water. Deze Brouwer ging voor geen enkele hond aan de kant! Even buiten de Joure, aan de hedendaagse Vegelinsweg, stond vroeger de stolp waar Joost de Jong boerde; een gewaardeerde man en goede boer. Hij had als schooljongen met een paar maten, zo werd er gezegd, van de Tolhûsbrug af geprobeerd wie het verst kon pissen en dat had Joost gewonnen. Er zo kunt u daar een naam aan overhouden..... Wybren, zijn zoon, boerde er later, tot de gemeente de boerderij van het land afzonderde met een nieuwe weg. Daardoor vertrokken Wybren met zijn huishouding en vee. Van de boerderij is toen een bowlingcentrum gemaakt, maar een brand veranderde de zaak weer. Er moest weer opnieuw gebouwd worden en dat is ook gebeurd. Dan komt de hoek van de Torenstraat af naar het oosten aan de beurt. Bij Terra in de steeg, de Baanstege, stond de boerderij van Hendrik Gouma, ook wel Hendrik van Nuttert genoemd. Vele ouderen zullen hem/haar die vriendelijke man voor ogen halen kunt met zijn kedde voor de wagen. Dat beest werd meer dan 35 jaar oud en het was een groot verlies voor Hendrik toen het stierf. Midden in de Midstraat, tussen de beide torens in, stond de winkel van de dames Holtrop, met de bel aan de deur en waar de zakken met erwten en bonen langs de kant stonden met omgerolde boveneinden. Alles was er volgens de klanten sfeervol. Achter die winkel en woning was de boerderij van hun broer Wobbe en zijn zoon Herman (Manus). Wobbe Holtrop herinner ik mij, niettegenstaande zijn tegenslagen in het leven, als een fleurig man. Als het tegenzat met het weer in de hooitijd, dan was zijn opmerking, dat hij het hooi niet eerder nodig had dan in november. Ook zijn bijbelkennis verliet hem nooit. Als hij met een koe bij onze stier kwam en laatstgenoemd beest kwam, zoals gewenst was, omhoog, dan hoor ik hem nog zeggen: “Klimt op tot de bergen van Sion en luidt de klokken van Jericho!”. Van Herman werd gezegd, dat als het in de herfst koud was hij lang de wanten aanhield. Ook deze boerderij is in samenwerking met de ruilverkaveling buiten de Joure gebracht.

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

Een Jouster herberg oude stijl Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen. De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten. Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf. In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina. In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.  Een Jouster herberg oude stijl  (Het complete artikel) ‘De Ster’ en de stichter. Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven. Timmerman en tapper In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename. Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden. Jouster-Merk Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven. De stamhouder Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure. De laatste loodjes We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest. De teloorgang van herberg ‘ De Ster’  In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren. Van Franeker naar Joure Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd. Een bijzondere meevaller Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden. De Kramer vergadering Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.

Bakker Van der Brug in de Midstraat Nu iets fijns, nu iets nieuws! t.g.v. de officiële opening (dus alleen die dag) 250 gr. Goudse moppen en 10 fijne spritskoeken voor Fl.1,20…. Met deze aanbieding in de Jouster Courant opende Meinte van der Brug op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel in Joure aan de Midstraat. Alweer meer dan zeventig jaar geleden. De bakkerij en winkel zijn er nog. Nu zwaait de familie Lenes er de scepter. Meinte werd in 1919 in Oosterend geboren. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren. Om zelfstandig bakker te kunnen worden heb je diploma’s nodig. Dat kon gebeuren op de bakkersvakschool in Leeuwarden. Na verloop van tijd ging ook Meinte naar die school: twee jaar voor broodbakker en een jaar voor banketbakker. Nadat Meinte en Mina in het huwelijksbootje waren gestapt vestigde het jonge paar zich in een bakkerij in Nes (Dongeradeel). Dat was in 1945. Ze bleven er zes en een half jaar en kregen er twee kinderen. Ze zagen in dat ze daar op den duur geen goed bestaan konden opbouwen. Dat hadden ze goed gezien.  Vroeg opstaan maar de wet… Het was hard werken in de bakkerij en de winkel. Om half vijf ’s morgens uit de veren. Op zaterdag zelfs om twee uur in alle vroegte. Het was wettelijk bepaald dat je ’s morgens niet voor vijf uur mocht bakken en dat er voor tien uur geen vers brood verkocht mocht worden. Dit om nachtarbeid tegen te gaan. De politie controleerde dat. Van der Brug herinnert zich dat de politieman Van der Veen hem één keer heeft bekeurd omdat hij na een nogal laat geworden feestje alvast was begonnen in de bakkerij. Slapen lukte in die paar uurtjes toch niet. De napret van het feestje werd door de bekeuring wel enigszins bedorven. Dat wetsartikel bestaat al een aantal jaren niet meer. Voor dat het broodbakproces begon moest er nog heel wat gebeuren. Het deeg moest gemengd en gewogen worden, het rijzen in de rijskast duurde zo’n drie á vier uur, de oven moest aangezet worden. Daar werden kolen voor gebruikt en later gas. Meng-, afweegmachines en automatische rijskasten maakten het werk wat makkelijker. Na het broodbakken kon de bakker beginnen met het banket, de koek, het roggebrood en andere bakproducten. Het meel kwam uit een meelfabriek (vroeger een molen) in Uithuizermeden en later ook uit Heerenveen. Lange dagen waren het van ’s morgens heel vroeg tot laat in de middag. Dat betekende vroeg naar bed zodat het sociale leven er vaak bij in schoot. Dus weinig samenkomsten in verenigingsverband. Het contact tussen de Jousters bakkers beperkte zich tot een overleg over de vakantieregeling. De avonden van de Fryske Krite vormden daarom bijna de enige ontspanning voor het bakkersechtpaar.  Een bakkerij doe je niet alleen In het begin had Van der Brug enkele venters in dienst o.a. in St Nicolaasga. In Joure was het o.a. Van der Heide die er met de venterskar op uit trok. Zij werkten voor een vast loon met provisie van hun verkoop. Op die venterskarren stond eens als reclame: ‘Van der Brugs brood maakt sterk en groot’, maar dat verdween weer omdat de venters daar niet zo gecharmeerd van waren. Ook leverde hij wel bakkerswaren aan losse venters die op eigen risico ventten. Omdat er moeilijk venters te vinden waren was het in de zeventiger jaren afgelopen met het venten of ‘súteljen’. De klanten werd verzocht hun bakkersspullen zelf in de winkel op te komen halen. In de bakkerij had Van der Brug twee medebakkers, in de winkel een winkelmeisje en ook zijn vrouw hielp veel in de winkel. Zijn vrouw deed ook de boekhouding. Een paar verbouwingen maakten o.a. de winkel en de etalage groter en meer bij de tijd. De woonkamer aan de straat werd opgeofferd. Achter de winkel was leefruimte en boven nog een aantal kamers. De gevel verloor helaas aan de top z’n oorspronkelijk aanzien.   Tijd voor hobby’s? Tijd voor hobby’s had de bakker niet. Zijn enige hobby was bakken en vooral banket had zijn voorliefde. Veel plezier had hij aan het maken van bruidstaarten. De mooiste had een hoogte van vijf lagen. Speciaal zijn suikerbrood, oranjekoek en hazelnootpunten werden geroemd. Wat wij altijd bijzonder lekker vonden waren zijn sukadekoeken. In de Sinterklaastijd lag er op een grote tafel in de winkel allerlei sinterklaasgoed uitgestald. Zo omstreeks de Kerst maakte hij wel eens een miniatuur kerk van suikergoed voor de etalage. Een indrukwekkende hoeveelheid prijzen en diploma’s kan hij nog laten zien. Kwaliteit stond immer hoog in z’n vaandel. In 1979 dacht de familie Van der Brug lang genoeg gewerkt te hebben. De opkomst van de supermarkten had het er voor de kleine zelfstandigen niet gemakkelijker opgemaakt. Hun zaak draaide goed maar het was (soms te) hard werken voor wat je er in de portemonnee voor terug zag. Ze deden de zaak over aan hun zoon Jan, één van de vijf kinderen die ze hadden. Jan en zijn vrouw Lia maakten in 1995 een carrièreswitch. De gebroeders Hallema namen de zaak over. Op hun beurt gaven zij het bedrijf per januari 2026 weer door aan bakker Lenes. Schilderen een jongensdroom Over de vraag of hij weer bakker zou zijn geworden als hij voor die keuze gesteld zou kunnen worden, moest Van der Brug even denken. Hij antwoordde even later glimlachend: “Ja, as dat kinne soe, mar dan wol mei deselde frou sij wie tige saaklik en ik wie foaral fakman, dat wie in prima kombinaasje”. En daar had hij gelijk aan. In zijn vrij nieuwe woning aan de Kolkstraat spraken we over zijn bakkersverleden van meer dan vijftig jaar. Bij de koffie aten we oranjekoek!  “Ut deselde bakkerij as froeger”, zei Van der Brug er met pretogen bij. Nog steeds prima van smaak. Zijn hobby is nu tekenen en schilderen. Dat was te zien. Er hingen en stonden enkele niet onverdienstelijke voorbeelden van zijn kunnen in z’n woning. Zelfs volgt hij nog schilderles en dat is kras voor een 85-jarige. Eigenlijk een jongensdroom maar in het schilderen en tekenen was in zijn jeugd geen ‘droog brood’ te verdienen, vond zijn vader. Dus dan toch maar liever bakker. Hij woont nu alleen want zijn vrouw Mina van der Brug overleed in 1999. Samen hebben ze nog 20 jaar ‘stil’ in hun nieuwe huis kunnen wonen aan de Kolk…. Buiten in de ren liepen enkele gevederde vrienden van hem rond. ‘Och, in pear hintsjes der hew ik wol aerdichheid oan’, zei Meinte van der Brug. Meinte overleed in 2012.

Joure rond De Merk De omgeving van de huidige Merk, oftewel de vroegere Enkele Regel, het meest oostelijke deel van de Midstraat, heeft in de afgelopen jaren een complete metamorfose ondergaan. De huidige situatie weer zoals die na diverse reconstructies is ontstaan: een pleinafsluitende gevelpartij die langs de noordzijde van de Merk doorloopt tot om de hoek van de Elias Annes Borgerstraat. Hoe de situatie aan die zijde is veranderd, laten de diverse foto's zien. Van west naar oost gaande, stond naast de Aldi‑winkel het voormalige hotel, café en restaurant van Piet Reekers. Aan het begin van de twintigste eeuw stond het gebouw op een fraaie gekleurde ansichtkaart afgebeeld als: Hotel, Stationskoffiehuis en Stalhouderij S.D.Molenaar.  Sjoerd Dirks Molenaar had het etablissement in 1893 overgenomen van Pieter Hielkes Hielkema. De bijbehorende doorreed werd volgens de gevelsteen in 1897 gebouwd. De steen werd gelegd door (zoon?) D.S.Molenaar op 1 mei van dat jaar. Zoals op de foto is te zien, was aan de oostzijde een balkon aangebouwd voorzien van een fraai hekwerk. Zo rond de vijftiger jaren werd dit balkon tot serre omgebouwd. Wie de personen zijn die op de foto staan, is niet bekend. Voordat in Joure de tram zijn intrede deed, in 1882 de lijn naar Heerenveen, in 1886 de lijn naar Sneek en in 1901 de lijn naar Lemmer, was de grootste bron van inkomsten niet het horeca gedeelte maar de stalhouderij met omnibussen. Er waren dienstregelingen naar diverse plaatsen in de provincie. Door de komst van de tram liep de omvang van de paardentractie sterk terug waarom Moolenaar dan ook besloot om de stalhouderij gedeeltelijk af te schaffen. In 1906 verkocht hij zijn zaak aan Djurre Feitsma. In de doorreed kwam later een garage van Huisman en van der Werf (de voorgangers van Fa. Bakker en de Boer die later in de huidige Aldi een rijwielherstellerij en Ford autogarage hadden) De daaropvolgende eigenaren waren respectievelijk: Johannes Dirk Bijkersma, Fokke Minnesma, zoon Meine Minnesma. De laatste (daadwerkelijke) uitbater was Piet Reekers. Vele Jousters en oud‑Jousters zullen goede herinneringen hebben aan het bekende etablissement. Vooral op Jouster Merke Tongersdei was het binnen altijd mudvol. Er kwamen dan stempels in de benedenzaal te staan om de vloer van de bovenzaal te stutten om het gewicht van de feestvierende mensenmassa veilig te kunnen dragen. Dansleraar Piet de Boer heeft er ook nog jarenlang samen met zijn echtgenote aan oud en jong dansles gegeven in de bovenzaal. Het einde van het horecabedrijf was verre van fraai te noemen. Reekers had geen opvolger voor de zaak terwijl er fors geïnvesteerd moest worden. Hij verkocht daarop in 1993 het hotel aan Dutch Business Trading uit Utrecht. Zij zouden het pand grondig verbouwen en moderniseren om er een familiehotel van te maken. Het bleek echter dat D.T.B. bij een drugsaffaire en het witwassen van drugsgelden was betrokken waarop Justitie beslag legde op het pand. Uit veiligheidsoverwegingen en om de lieve jeugd buiten te houden, werden, in afwachting van de rechtszaak, de ramen en deuren dichtgespijkerd. Het gebouw werd zodoende ‘een schandvlek voor de Flecke’, zo schreven de kranten in 1994. In mei 1996 kon de graffiti spuitende jeugd van de Flecke zich een halve dag uitleven op de planken van de dichtgespijkerde ramen en deuren. Onder de bezielende leiding van Lipkje Ferwerda werd een wedstrijd gehouden wie de mooiste schildering wist te maken. Uiteindelijk is het hotel, nadat er verschillende keren brand was gesticht, in 1998 afgebroken.